The Great Chicago Fire

Chicago herpakt zich en start de heropbouw van de stad

Financiële solidariteit

In de weken die volgden na de brand ontstond een toestroom aan giften vanuit het ganse land en uit het buitenland. Naast geldelijke donaties kreeg Chicago voedsel, kledij en andere goederen om de eerste nood te lenigen. De giften kwamen van individuen, ondernemingen en andere steden. New York schonk 450.000 $, samen met kledij en andere voorraden.

Vanuit Saint-Louis werd een bedrag van 300.000 $ overgemaakt en de stad London schonk 1.000 Guineas. Nog vanuit Londen kwam 7.000 £ van particuliere donatoren. Vanwege de commerciële concurrenten Cincinnati, Cleveland en Buffalo vloeiden duizenden dollars naar Chicago.

Milwaukee zond brandweeruitrusting naar de geteisterde stad. Treinen met boeken en andere gebruiksvoorwerpen kwamen vanuit het hele land. Burgemeester Mason gaf de ‘Chicago Relief and Aid Society’ opdracht om de heropbouw te coördineren. Onder de koepel van de eerste congregale kerk begonnen ‘officials’ van de gemeente stappen te ondernemen om de orde in de stad te herstellen. Dit had vooral betrekking op de dagdagelijkse economische orde. Zo werd een vastleggen van de prijzen voor consumptiegoederen een absolute prioriteit.

De broodprijs kreeg een ‘plafond’ (8 cent)? Publieke ruimtes werden ingericht voor opvang. Er kwam een verplicht sluitingsuur voor ‘saloons’ om 21.00 u in de week volgend op de brand.

Geloof versus industrialisering

De brand had gevolgen voor het ‘maatschappelijk denken’ in de ganse Verenigde Staten. De snelle economische ontwikkeling van Chicago in deze periode leidde de Amerikanen tot een ‘reflectie’ over het industrialiseringsproces. Het meer religieuze standpunt dicteerde dat de Amerikanen moesten terugkeren naar een meer traditionele (lees: ouderwetse) levenswijze.
De aanhangers van deze strekking wezen een gebrek aan moraliteit aan als ‘reden’ voor de brand. Heel wat Amerikanen daarentegen waren ervan overtuigd dat uit de brand juist lessen moesten getrokken worden over technische vooruitgang, niet in het minst m.b.t. het gebruik van brandveilige bouwtechnieken.

Verspreiding van de brand

Houten gebouwen

Net zoals bij de Great Fire of London was de grote boosdoener van de verspreiding van de brand ook hier het gebruik van sterk brandbare materialen. Mede dankzij de Bouwproductenverordening, die sinds enkele jaren (voor het eerst) ook brandveiligheidseisen oplegt aan bouwmaterialen, is de aandacht voor de brandweerstand van bouwmaterialen en hun reactie bij brand verscherpt.

Vaak wordt de ongerustheid gevoed door een gebrek aan kennis en ervaring. We moeten blijven reflecteren over de consequenties van nieuwe technologieën en technieken om de mogelijke risico’s een stap voor te zijn.

Het leidt geen twijfel dat men in de periodes van de reeds aangehaalde ‘grote branden’ geen enkel kwaad zag in het gebruik van houten muren en strooien daken, net zoals we in onze tijd decennia lang asbest gezien hebben als een uitstekend en volstrekt onschadelijk bouwmateriaal.

brandveiligheid van de gebouwen

De grote paradox in de Verenigde Staten is dat, ondanks de overtuiging van de veiligheid van stenen gebouwen, hout nog steeds een belangrijke rol krijgt en de brandveiligheid ervan niet toeneemt maar veeleer afneemt.

Het meer religieuze standpunt dicteerde dat de Amerikanen moesten terugkeren naar een meer traditionele ouderwetse levenswijze.

de stad Chicago kreeg veel hulp voor de heropbouw

In de dagen en weken na de brand, stroomde monetaire donaties in Chicago uit het hele land en in het buitenland, samen met schenkingen van voedsel, kleding en andere goederen. Deze donaties kwamen van particulieren, bedrijven en steden. New York City gaf 450.000 $, samen met kleding en voorzieningen, St. Louis gaf 300.000 $, en de Gemeenschappelijke Raad van Londen gaf 1.000 guineas, evenals 7000 ₤ uit particuliere donaties. Cincinnati, Cleveland, en Buffalo, alle commerciële rivalen, doneerden honderden en duizenden dollars.

Milwaukee, samen met andere nabijgelegen steden, hielpen door het sturen van brandbestrijdingsmiddelen en brandweeruitrusting. Bovendien, werden voedsel, kleding en boeken gebracht met de trein van over het hele continent. Burgemeester Mason richtte de Chicago Relief and Aid Society op, die verantwoordelijk was voor de hulpverlening van de stad. Opererend vanuit de First Congregational Church, begonen stadsambtenaren en wethouders maatregelen te nemen om de orde te bewaren in Chicago.

Prijskerving was een belangrijk punt van zorg, en werd vastgelegd in één verordening, de stad zet de prijs van brood op 8 ¢ voor een 12-ounce (340 gr) brood.

Lakeshore in opbouw

Openbare gebouwen werden geopend als toevluchtsoorden, en saloons gesloten om 21.00 u, in de avond voor de week na de brand. De brand leidde ook tot vragen over de ontwikkeling in de Verenigde Staten. Door de snelle uitbreiding van Chicago op dat moment, het vuur leidde de Amerikanen na te denken over de industrialisatie.

Op basis van een religieus oogpunt, sommigen zeiden dat de Amerikanen moeten terugkeren naar een meer ouderwetse manier van leven, en dat de brand werd veroorzaakt door mensen negeren van de traditionele moraal.

Anderzijds, anderen geloofden dat dit een les was geweest om in de steden de bouwtechnieken te verbeteren. Frederick Law Olmsted had opgemerkt dat de slechte bouwpraktijken in Chicago een probleem waren: Chicago had een zwak voor grote dingen, het heeft een groot deel van de commerciële reclame in zijn huisbladen.

De fouten van de bouwstructuren, alsmede de grote opzichtige gebouwen moeten legio geweest zijn. De muren waren te dun.

Colombian Expo

Olmsted geloofde ook dat met bakstenenmuren, een gedisciplineerde brandweer en politie, de doden en de schade veel minder zou zijn geweest. Bijna onmiddellijk, begon de stad haar vuurnormen, aangespoord door de inspanningen van toonaangevende verzekeringsmaatschappijen executives, en brand-preventie hervormers te herschrijven.

Chicago ontwikkelde snel als één van de meest vooraanstaande steden die brandbestrijding promoten. Ondernemers, en grondspeculanten zoals Gurdon Saltonstall Hubbard , ontfermden zich over de wederopbouw van de stad. De eerste lading hout voor de wederopbouw werd de dag dat het laatste brandende gebouw werd gedoofd opgeleverd. By the World's Columbian Exposition 22 jaar later, had Chicago meer dan 21 miljoen bezoekers.

Het Palmer House hotel was tot de grond afgebrand, en werd 13 dagen na de brand terug geopend. De ontwikkelaar, Potter Palmer, had zich verzekerd van een lening en het hotel herbouwd, aan nieuwe hogere normen, het werd 's Werelds eerste "Brandveilig Gebouw".



O'Leary Site

In 1956, werden de resterende structuren op de oorspronkelijke O'Leary site in DeKoven Street gesloopt voor de bouw van de , een trainingsfaciliteit voor de Chicago brandweer. Een bronzen sculptuur van gestileerde vlammen, getiteld Pillar of Fire van beeldhouwer Egon Weiner, werd gebouwd op de plaats van oorsprong in 1961.

Chicago Fire Academy Fireacaemy

Naslagwerk

De lessen die we uit deze brand kunnen trekken leveren misschien niet onmiddellijk iets nieuws op maar ze tonen wel aan dat dezelfde aandachtspunten van 150 jaar geleden nog steeds actueel zijn. Iedere problematiek moet gezien worden in functie van de technologische mogelijkheden.

We lezen o.a over ‘verzwarende omstandigheden’, hoe de uitkijkverantwoordelijke de locatie van de brand verkeerd inschat en niet de mogelijkheid heeft dat recht te zetten. Ook de ‘alarmbox’ (nochtans nieuw) in het stadscentrum faalde.

Wanneer de alarmering beter zou verlopen zijn, had de ramp misschien helemaal niet plaats gevonden.

Dit alles onderstreept het belang van thema’s van vandaag over de communicatiemiddelen waarover de brandweer beschikt en over de afronding van het 112-project. Het uitrukken van meerdere korpsen naar een relatief klein incident is eveneens mogelijk wanneer de alarmering vanuit verschillende hoeken geschiedt en naar verschillende noodnummers (brandweerkazerne, 100, 112, …).

Ook vandaag komt het nog voor dat de brandweer beschikt over slechts ‘vage’ informatie m.b.t. de lokalisering van een brand (als hij niet vanuit de verte zichtbaar is).